Weerzien

Met haast fiets ik naar huis. Het huis waar ik sinds 3 nachten slaap.
Het huis waar ik sinds 3 dagen samenwoon met mijn vriend.

Maar het is koud dus ik zet mijn voeten nog iets steviger op de pedalen.
Naar huis, met de warme (nieuwe) kaarsen in de kleuren van ons huis en de bank die volgende week vervangen wordt door een nieuwer model.

Ik heb de hele tijd het idee dat er iemand achter me fietst.
Nu ben ik nog niet zo thuis in mijn nieuwe buurt, dus ik vind dat voor de verandering best eng.
Steeds duw ik de pedalen harder naar beneden, terwijl de wind in mijn gezicht blaast en ik spijt heb zonder handschoenen vertrokken te zijn.
De kou snijd door mijn wollen jas en met de fietser achter me in het kielzog begin ik buiten adem te raken.

Trap, trap, trap. Fiets, fiets, fiets.

Kut, waarom is er hier zo weinig lantaarnverlichting.
Ik hoor dat de fietser achter mij langzaam dichterbij komt.
En ik fiets al op mijn snelst.
Mijn handen tintelen van de kou maar ik durf ze niet om & om in mijn jaszakken te steken. Bang om vaart te minderen en die fietser achter me ruimte tot toenadering te geven.

Hssiee.
Kut, is dat de wind?
Of roept de persoon achter me mijn naam?

Insiee.
Wat zegt ‘ie nou?

Lindsay!

Klote, ja dus.
Voorzichtig kijk ik achterom, voor zover de donkere avond dat toelaat.

En dan zie ik het.
Jezus. Wat heb ik jou lang niet gezien.

“Jezus man, ik schrok me kapot, ik dacht dat je een of andere verkrachter was!”
“Haha”, lacht hij weg, “ik dacht je al te herkennen met dat blonde koppie”.
“Pff, even op adem komen hoor. Jeetje man”, vervolg ik, “dat is” – “lang geleden”, vullen we allebei aan.

”Hoe is het met je Lins?”, vraagt hij, oprecht geïnteresseerd.

Even weet ik niet hoe ik zal antwoorden.
We zijn niet bepaald als vrienden uit elkaar gegaan, hoewel we bijna de hele schooltijd onafscheidelijk waren. En ik kan me ook nog herinneren dat ik daarna natuurlijk een kutwijf was. En meer dergelijke gecensureerde verwensingen dan in een gemiddeld stadion Utrecht – Ajax.
Maar, ik kan niet nog harder wegfietsen en had best behoefte om even op adem te komen, dus ik grijp deze kans aan en antwoord.

“Heel goed eigenlijk”, terwijl ik me bedenk dat het ook echt zo is.
”Ik woon sinds 3 dagen samen, dus we zijn druk aan het klussen en ons huis mooi aan het personaliseren. En we zijn ondanks de klus stress waar iedereen ons voor waarschuwde, eigenlijk nog ontzettend verliefd”, terwijl ik een blozende ‘hihi’ onderdruk.
“Leuk”, valt hij bij. “En je werk of studie?”, vraagt hij vervolgens.
“Euhm, eigenlijk heb ik net een halfjaar mijn HBO-diploma en ben lekker aan het werk”.
“Met theater?” vraagt hij, “dat deed je toch graag?”.
“Ja”, antwoord ik verrast door zijn geheugen. “Veel theater- en productiewerk, maar sinds kort schrijf ik ook freelance opdrachten.
Echt supergaaf!”, voeg ik daar iets te enthousiast aan toe, omdat ik mijn werk zo leuk vind.

“Hey, en jij dan?”, want ik ben ook benieuwd naar zijn leven nu.

Ik zie hem een moeilijk gezicht trekken maar toch probeert hij een glimlach op te zetten.

“Nou, ja, ik woon niet meer in Utrecht, was best lastig een huurwoning te vinden hier”.
“Ja”, beaam ik. Dat dat is oprecht een crime.
“Maar, ja, mijn vriendin is bij me ingetrokken en ik werk via het uitzendbureau”, vervolgt hij. “Het is best lastig een baan te krijgen en ik heb tot dusver nog geen vaste aanstelling ergens gekregen. Maar dat zou wel fijn zijn als dat lukt want we hebben nog een doorlopend krediet en een auto die we nog moeten afbetalen”.

”Oei, das vervelend”, zeg ik oprecht meelevend.

“Ja, je weet zelf dat ik niet altijd de slimste dingen heb gedaan”, geeft hij toe. “Vroeger was dat wel stoer natuurlijk, maar je hebt er niets aan. Dan heb jij het toch beter voor elkaar”.

Gelukkig is het donker want ik schrik van zijn relaas.

Hij, die altijd zo stoer was en waar ik tegenop keek. Dat ik braaf mijn huiswerk maakte en hij rondhing. Dat ik op mijn 15e pas voor het eerst zoende en dat hij al jaren daarvoor het bed gedeeld had. Dat hij durfde te stelen en vechten.
En diezelfde hij, die net achter me aan fietste om mij te spreken, veranderde zo van stoer naar… naar, ja, eigenlijk naar kwetsbaar.

“Goh”, probeer ik, “maar”…

“Nou, ik ga maar weer, je hebt vast betere dingen te doen met je nieuwe huis enzo”.

”Okay”, breng ik enigszins verbouwereerd uit. “Doei, het ga je goed!”, zeg ik, oprecht gemeend.

”Doeg”, zegt hij. ”Enne, Lins…”, brengt hij twijfelend uit.

“Ja?”, antwoord ik, net voor ik weer op de fiets stap.

“Ik vind het echt rot hoe het toen gelopen is. Het spijt me. Denk je dat we nog eens een keer kunnen afspreken, net als vroeger?”.

Bam. Mokerslag in mijn hoofd. Iets gevoeligs voor een oude vriend.
Maar, terugdenkend aan hoe hij mij kwetste, neerhaalde en zichzelf zoveel meer voelde dan ik, en wat dat met mij deed, antwoord ik, vriendelijk maar helder:
”Nee, joh, laten we dat maar niet doen”, zeg ik met een glimlach. “Het allerbeste hè!”, terwijl ik begin te trappen op mijn pedalen.

Terug naar huis fiets ik aan een stuk door en voel ik niets van de kou of de wind.

Wanneer ik thuiskom heeft mijn vriend de nieuwe kaarsen al aangestoken en thee met stroopwafels voor mij klaargezet.

Ik kus hem en hij zegt: “Hè, pop, vanwaar de tranen?”.

”Ik ben eindelijk stoer”, antwoord ik, trots glimlachend.

Dit artikel is geplaatst in LIFESTYLE, PERSOONLIJK en getagged , . Bookmark hier de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *